← Terug naar alle raadsvragen

RIB 03-09-26 zienswijze concept omgevingsvisie PNH

Lees de openbare vraag, het antwoord en de bijlagen als webtekst.

Deze raadsvraag over RIB 03-09-26 zienswijze concept omgevingsvisie PNH is gesteld door BVNL op 08-09-2026. Het openbare antwoord is gedateerd 22-10-2026. Het dossier bevat 1 document.

Leesversie. De tekst hieronder is automatisch uit de openbare PDF-bestanden gehaald. De originele PDF onder ieder document blijft de officiële bron. Bijlagen zijn niet automatisch als vraag of antwoord ingedeeld.

Direct openen

Documenten en bijlagen

Open hier de officiële vraag en beantwoording of één van de bijbehorende stukken als PDF.

  1. BVNL RIB 03-09-26 zienswijze concept omgevingsvisie PNH

Openbaar document

BVNL RIB 03-09-26 zienswijze concept omgevingsvisie PNH

Pagina 1

22 oktober 2026 12:00
Detailrapport Vraag en antwoord los v/h Raadsplein (ID 1087)
Veld
Waarde
Datum vraag
08-09-2026
Onderwerp
RIB 03-09-26 zienswijze concept omgevingsvisie PNH
Fractie(s)
BVNL
Vraag en antwoord
Vraag 1.
De zienswijze vraagt aandacht voor energievoorziening als
randvoorwaarde voor verdere verstedelijking, maar benoemt
netcongestie niet expliciet als mogelijke beperkende factor voor
woningbouw en economische ontwikkeling. Deelt het college de
mening dat voldoende netcapaciteit vooraf inzichtelijk moet zijn bij
grootschalige gebiedsontwikkelingen, en zo ja, waarom is dit niet
nadrukkelijker als randvoorwaarde in de zienswijze opgenomen?
Antwoord 1
Het college onderschrijft het belang van voldoende netcapaciteit
voor woningbouw en economische ontwikkeling. Zekerheid over de
beschikbaarheid daarvan voor een concrete ontwikkeling ontstaat
echter pas naar aanleiding van een aanvraag bij de netbeheerder.
Daarvoor moet de ontwikkeling voldoende concreet zijn. Die
zekerheid kan daarom niet zonder meer voorafgaand aan de
planvorming als randvoorwaarde worden gesteld.
Dat neemt niet weg dat de beperkingen van het elektriciteitsnet en
de benodigde investeringen vroegtijdig moeten worden betrokken
bij ruimtelijke ontwikkeling. Daarop ziet de zienswijze met het
benoemen van energievoorziening als randvoorwaarde. Het niet
afzonderlijk benoemen van netcongestie betekent dus niet dat dit
knelpunt buiten beschouwing blijft.

Vraag 2.
De zienswijze constateert een spanningsveld doordat het principe
“eerst bewegen, dan bouwen” wordt losgelaten. Welke concrete
waarborgen acht het college noodzakelijk om te voorkomen dat
grootschalige woningbouw wordt gerealiseerd terwijl noodzakelijke
OV-, fiets- en auto-ontsluiting pas jaren later volgt?
Antwoord 2:
De zienswijze vraagt aandacht voor de samenhang tussen
investeringen in woningbouw en mobiliteit. Het loslaten van het
principe ‘eerst bewegen, dan bouwen’ brengt het risico met zich
mee dat woningbouw wordt gerealiseerd, terwijl noodzakelijke
provinciale investeringen in bereikbaarheid achterblijven.
In de regio bestaan al aanzienlijke mobiliteitsuitdagingen.
Investeringen in bouwen en bewegen moeten daarom hand in hand
gaan. Het college acht het noodzakelijk dat de provincie bij
verstedelijkingskeuzes ook de benodigde mobiliteitsinvesteringen
betrekt en afspraken maakt over financiering en uitvoering in
samenhang met de woningbouwplanning. Daar vraagt de zienswijze
aandacht voor. Tegelijkertijd is het niet wenselijk dat

Pagina 2

22 oktober 2026 12:00
Pagina 2

bouwprojecten stil komen te liggen vanwege files die in de
komende jaren niet opgelost kunnen worden.

Vraag 3.
In de zienswijze wordt expliciet aangegeven dat de provinciale
kaarten mogelijk niet aansluiten op lokaal vastgestelde
ontwikkelkaders, waarbij Julianaweg en Slobbeland in Edam-
Volendam concreet worden genoemd. Kan het college aangeven
wat daar volgens de gemeente precies onjuist of onduidelijk is
weergegeven?
Antwoord 3:
De onduidelijkheid betreft de verhouding tussen de provinciale
gebiedsaanduidingen en de lokaal beoogde ontwikkelrichting. Voor
de Julianaweg gaat het om de transformatie naar een gemengd
woon-werkgebied, met ruimte voor wonen, voorzieningen en
passende bedrijvigheid.
De provinciale kaart moet voldoende duidelijk maken hoe deze
ontwikkelrichting zich verhoudt tot de toegekende
gebiedsaanduiding. Ook voor Slobbeland is gevraagd de kaart te
laten aansluiten op de lokaal vastgestelde ontwikkelkaders.

Vraag 4:
Welke gevolgen dit kan hebben voor toekomstige ontwikkelingen?
Antwoord 4:
Een afwijkende gebiedsaanduiding kan onduidelijkheid veroorzaken
over de provinciale medewerking aan toekomstige ontwikkelingen.
Dit kan leiden tot aanvullende afstemming, vertraging of discussie
over de mogelijkheden voor transformatie en ontwikkeling.
De provinciale omgevingsvisie verandert op zichzelf niet de
geldende bouw- en gebruiksmogelijkheden. Zij geeft wel richting
aan provinciale beleidskeuzes en de verdere uitwerking daarvan,
bijvoorbeeld in de omgevingsverordening. Daarom is het van belang
eventuele verschillen vóór vaststelling te verduidelijken.
In september heeft een overleg plaatsgevonden tussen de afdeling
Omgevingsbeleid en de provincie en zijn de gewenste aanduidingen
besproken.

Vraag 5:
Zet het college erop in dat deze kaarten vóór vaststelling van de
definitieve Omgevingsvisie daadwerkelijk worden aangepast?
Antwoord 5:
Ja, de inzet is dat de kaarten vóór vaststelling aansluiten op de
lokaal vastgestelde ontwikkelkaders. Het bij antwoord 4 genoemde
contact met de provincie was daarop gericht.

Vraag 6:
Welke onderdelen van de zienswijze acht het college voor Edam-
Volendam zó essentieel dat het college, wanneer deze niet of
onvoldoende worden overgenomen door de provincie, hierop
afzonderlijk zal terugkomen richting Gedeputeerde Staten en/of
Provinciale Staten?

Pagina 3

22 oktober 2026 12:00
Pagina 3

Antwoord 6:
De RIB benoemt geen afzonderlijke escalatiestrategie richting
Gedeputeerde Staten of Provinciale Staten als onderdelen van de
zienswijze onvoldoende worden overgenomen. Wel blijkt uit de RIB
dat voor Edam-Volendam in ieder geval de volgende onderwerpen
van bijzonder belang zijn:
•behoud van de leefbaarheid van kleinere kernen;
•voldoende lokale afwegingsruimte voor woningbouw en
functiemenging;
•bereikbaarheid en ontsluiting van de gemeente;
•bescherming van waardevol landschap en erfgoed;
•een zorgvuldige provinciale duiding van gebieden binnen de
gemeente.
Daarnaast zijn op regionaal niveau de inzet op een betere balans
tussen wonen, werken, mobiliteit, landschap en leefbaarheid,
gerichte investeringen in bereikbaarheid en energie, en de
aansluiting van provinciale kaarten op lokale ontwikkelrichtingen
belangrijke punten.

Wij achten het prematuur om vooruit te lopen op de vraag of en op
welke wijze het college hierover afzonderlijk richting Gedeputeerde
Staten en/of Provinciale Staten zal optreden. Dat kan aan de orde
komen nadat duidelijk is hoe de provincie de zienswijze verwerkt in
de Nota van Beantwoording en in de definitieve Omgevingsvisie.

De vragen geven verder aan dat de brief is gedateerd op 18
augustus 2026, terwijl in dezelfde brief staat dat het college de
zienswijze op 26 augustus 2026 heeft vastgesteld. Die chronologie
lijkt niet te kloppen. Dit heeft te maken met de termijn waarbinnen
de zienswijze moest worden ingediend. Om die reden is de
ingediende zienswijze formeel bekrachtigd door ons college op de
latere datum.

De passage dat “de provincie Noord-Holland een concept zienswijze
heeft opgesteld die nu ter inzage ligt” betreft een verschrijving.

PDF bekijken of downloaden

Controleer opmaak, afbeeldingen, handtekeningen en pagina’s zonder tekstlaag altijd in het originele document.