← Terug naar alle raadsvragen
Leesversie 317 van 492
Aanlanding van wind op zee in onze provincie
Lees de openbare vraag, het antwoord en de bijlagen als webtekst.
Deze raadsvraag over Aanlanding van wind op zee in onze provincie is gesteld door VVD op 04-04-2024. Het openbare antwoord is gedateerd 22-04-2024. Het dossier bevat 2 documenten.
Leesversie. De tekst hieronder is automatisch uit de openbare PDF-bestanden gehaald. De originele PDF onder ieder document blijft de officiële bron. Bijlagen zijn niet automatisch als vraag of antwoord ingedeeld.
Lees waar de informatie vandaan komt en hoe de leesversie is gemaakt
Direct openen
Documenten en bijlagen
Open hier de officiële vraag en beantwoording of één van de bijbehorende stukken als PDF.
Openbaar document
VVD Aanlanding van wind op zee in onze provincie
Pagina 1
22 april 2024 10:13
Detailrapport 08 Vragen los v/h Raadsplein (ID 699)
Veld Waarde
Datum vraag 4-4-2024
Onderwerp Aanlanding van wind op zee in onze provincie
Fractie(s) VVD
Vraag Begin 2024 zijn de gemeenteraden in en Provinciale Staten
van Noord-Holland geïnformeerd over de ontwikkelingen
rondom de aanlanding van wind op zee in onze provincie. Het
betreft een grootschalige operatie, met in potentie grote
ruimtelijke, landschappelijke en economische consequenties.
Tot begin 2025 heeft de regio gelegenheid om haar advies
over de aanlanding van wind op zee in Noord-Holland te
sturen naar de minister. Daarover heeft de VVD de volgende
vragen:
Vraag 1:
De aanlanding van wind op zee heeft grote ruimtelijke en
landschappelijke effecten voor de provincie. Dit gaat om
locaties voor stations, het aanleggen van kabels (boven- en
ondergronds) en mogelijke opslaglocaties van stroom. Dit
raakt dus de directe leefomgeving van onze inwoners,
agrarische gronden en natuur-/recreatiegebieden. Feitelijk is
dat een optimalisatie van lusten en lasten van de aanlanding
van wind op zee en de daarvoor benodigde infrastructuur. Op
basis van welke criteria gaat het college haar advies geven aan
de minister over waar wel en waar geen ruimte is voor
aanlandingslocaties, -routes en opslaglocaties (inclusief het
aantal aanlandingslocaties)?
Vraag 2:
De keuze voor locaties van stations heeft directe gevolgen
voor het vestigingsklimaat van energie-intensieve
bedrijven/industrie in Noord-Holland. Op basis van welke
criteria en/of veronderstellingen inzake de huidige en
eventueel nieuwe vestiging van energie-intensieve bedrijven
(en hun verwachte energieverbruik) gaat het college haar
advies geven aan de minister over waar wel en waar geen
ruimte is voor aanlandingslocaties en -routes (inclusief het
aantal aanlandingslocaties)?
Detailrapport 08 Vragen los v/h Raadsplein (ID 699)
Veld Waarde
Datum vraag 4-4-2024
Onderwerp Aanlanding van wind op zee in onze provincie
Fractie(s) VVD
Vraag Begin 2024 zijn de gemeenteraden in en Provinciale Staten
van Noord-Holland geïnformeerd over de ontwikkelingen
rondom de aanlanding van wind op zee in onze provincie. Het
betreft een grootschalige operatie, met in potentie grote
ruimtelijke, landschappelijke en economische consequenties.
Tot begin 2025 heeft de regio gelegenheid om haar advies
over de aanlanding van wind op zee in Noord-Holland te
sturen naar de minister. Daarover heeft de VVD de volgende
vragen:
Vraag 1:
De aanlanding van wind op zee heeft grote ruimtelijke en
landschappelijke effecten voor de provincie. Dit gaat om
locaties voor stations, het aanleggen van kabels (boven- en
ondergronds) en mogelijke opslaglocaties van stroom. Dit
raakt dus de directe leefomgeving van onze inwoners,
agrarische gronden en natuur-/recreatiegebieden. Feitelijk is
dat een optimalisatie van lusten en lasten van de aanlanding
van wind op zee en de daarvoor benodigde infrastructuur. Op
basis van welke criteria gaat het college haar advies geven aan
de minister over waar wel en waar geen ruimte is voor
aanlandingslocaties, -routes en opslaglocaties (inclusief het
aantal aanlandingslocaties)?
Vraag 2:
De keuze voor locaties van stations heeft directe gevolgen
voor het vestigingsklimaat van energie-intensieve
bedrijven/industrie in Noord-Holland. Op basis van welke
criteria en/of veronderstellingen inzake de huidige en
eventueel nieuwe vestiging van energie-intensieve bedrijven
(en hun verwachte energieverbruik) gaat het college haar
advies geven aan de minister over waar wel en waar geen
ruimte is voor aanlandingslocaties en -routes (inclusief het
aantal aanlandingslocaties)?
Pagina 2
22 april 2024 10:13
Pagina 2
Vraag 3:
Uit de toelichting van het ministerie op een
informatiebijeenkomst over WAVOZ 2031-2040 hebben wij
begrepen dat Noord-Holland idealiter 2 aanlandingslocaties
realiseert in NH-Zuid en ten minste 1 maar mogelijk 2 in NH-
Noord. Herkent u deze verdelen en wat is de visie van het
college op deze verdeling tussen NHZ en NHN?
Vraag 4:
De aanlanding van wind op zee heeft directe gevolgen voor
het stroomnet in Noord-Holland. Dat betekent dat de
discussie niet alleen gaat om de directe aanlandingslocaties,
maar ook op het transport van elektriciteit.
Welke invloed heeft de plaatsing van aanlandingsstations op
de inzet voor de uitbreiding van het stroomnet (inclusief KV-
stations)?
Vraag 5:
In welke mate zal dit onderdeel zijn van het regionaal advies,
en waarom wel of niet?
Vraag 6:
En hoe heeft dit effect op de bestaande problemen van de
netcongestie, waardoor additionele invoeding en afname van
elektriciteit in veel gebieden niet meer mogelijk is?
De provincie en gemeenten hebben tot en met Q1 2025 de
tijd om met een regionaal advies aan de minister te komen,
waarna besluitvorming in de ministerraad zal plaatsvinden
over VAWOZ 2031-2040. Daarover de volgende vragen:
Vraag 7:
Wat is wat het college betreft het doel van dit regionaal
advies?
Vraag 8:
Welk proces wil het college hiervoor volgen, om tot een
regionaal advies te komen?
Vraag 9:
Hoe en wanneer worden andere belanghebbenden (zoals
bedrijvengroepen, toerismebranche, maatschappelijke
organisaties en inwoners) inclusief Provinciale
Pagina 2
Vraag 3:
Uit de toelichting van het ministerie op een
informatiebijeenkomst over WAVOZ 2031-2040 hebben wij
begrepen dat Noord-Holland idealiter 2 aanlandingslocaties
realiseert in NH-Zuid en ten minste 1 maar mogelijk 2 in NH-
Noord. Herkent u deze verdelen en wat is de visie van het
college op deze verdeling tussen NHZ en NHN?
Vraag 4:
De aanlanding van wind op zee heeft directe gevolgen voor
het stroomnet in Noord-Holland. Dat betekent dat de
discussie niet alleen gaat om de directe aanlandingslocaties,
maar ook op het transport van elektriciteit.
Welke invloed heeft de plaatsing van aanlandingsstations op
de inzet voor de uitbreiding van het stroomnet (inclusief KV-
stations)?
Vraag 5:
In welke mate zal dit onderdeel zijn van het regionaal advies,
en waarom wel of niet?
Vraag 6:
En hoe heeft dit effect op de bestaande problemen van de
netcongestie, waardoor additionele invoeding en afname van
elektriciteit in veel gebieden niet meer mogelijk is?
De provincie en gemeenten hebben tot en met Q1 2025 de
tijd om met een regionaal advies aan de minister te komen,
waarna besluitvorming in de ministerraad zal plaatsvinden
over VAWOZ 2031-2040. Daarover de volgende vragen:
Vraag 7:
Wat is wat het college betreft het doel van dit regionaal
advies?
Vraag 8:
Welk proces wil het college hiervoor volgen, om tot een
regionaal advies te komen?
Vraag 9:
Hoe en wanneer worden andere belanghebbenden (zoals
bedrijvengroepen, toerismebranche, maatschappelijke
organisaties en inwoners) inclusief Provinciale
Pagina 3
22 april 2024 10:13
Pagina 3
Staten/gemeenteraden betrokken in dit proces om tot een
regionaal advies te komen.
Vraag 10:
Hoe waarborgt het college dat genoemde partijen tijdig hun
inbreng kunnen doen?
Vraag 11:
Is op dit moment al bekend hoeveel budget er is voor goede
landschappelijke inpassing en op basis waarvan dat budget
verdeeld/toegekend wordt?
Vraag 12:
Hoe past dit proces in de gaande zijnde processen voor het
Ruimtelijk Voorstel en het Ontwikkelingsperspectief NHN? Dit
betreft immers veelal dezelfde stakeholders en betreft ook
ruimtelijk-economische vraagstukken.
Antwoord Antwoord 1:
Het Programma Verbindingen Aanlandingen Wind Op Zee
(VAWOZ) volgt een vastgestelde procedure. In begin 2023 is
het voornemen en voorstel tot participatie ter inzage gelegd
en vervolgens is in december 2023 de concept NRD ter inzage
gelegd. Als reactie daarop hebben wij een regionaal
afgestemde zienswijze verzonden (zie bijlage). Nadat de NRD
definitief wordt vastgesteld, wordt in eind 2024 een Ontwerp-
programma (inclusief planMER en IEA) ter inzage gelegd. Pas
op het moment dat wij die informatie tot onze beschikking
hebben, kunnen wij een weloverwogen advies formuleren. Zo
weten we nog niet op welke plaatsen de aanlandingen zullen
gaan plaatsvinden en hoe de uitwerking daarvan zal gaan
plaatsvinden. Dit kan o.a. bij het Beverwijk/IJmuiden (langs
het Noordzeekanaal) zijn of bij Den Helder. Op dit moment is
er nog te veel onduidelijk.
Antwoord 2:
Zie antwoord 1.
Antwoord 3:
In de concept-NRD valt te lezen: “Deze eerste analyse geeft
het inzicht dat het vanuit systeemintegratie zinvol is om
maximaal vier elektrische verbindingen van 2 GW na 2031 aan
te landen in Noord-Holland (regio Noord-Holland Noord en/of
regio Noord-Holland Zuid). Hoeveel elektrische verbindingen
daadwerkelijk ingepast kunnen worden in het energiesysteem,
Pagina 3
Staten/gemeenteraden betrokken in dit proces om tot een
regionaal advies te komen.
Vraag 10:
Hoe waarborgt het college dat genoemde partijen tijdig hun
inbreng kunnen doen?
Vraag 11:
Is op dit moment al bekend hoeveel budget er is voor goede
landschappelijke inpassing en op basis waarvan dat budget
verdeeld/toegekend wordt?
Vraag 12:
Hoe past dit proces in de gaande zijnde processen voor het
Ruimtelijk Voorstel en het Ontwikkelingsperspectief NHN? Dit
betreft immers veelal dezelfde stakeholders en betreft ook
ruimtelijk-economische vraagstukken.
Antwoord Antwoord 1:
Het Programma Verbindingen Aanlandingen Wind Op Zee
(VAWOZ) volgt een vastgestelde procedure. In begin 2023 is
het voornemen en voorstel tot participatie ter inzage gelegd
en vervolgens is in december 2023 de concept NRD ter inzage
gelegd. Als reactie daarop hebben wij een regionaal
afgestemde zienswijze verzonden (zie bijlage). Nadat de NRD
definitief wordt vastgesteld, wordt in eind 2024 een Ontwerp-
programma (inclusief planMER en IEA) ter inzage gelegd. Pas
op het moment dat wij die informatie tot onze beschikking
hebben, kunnen wij een weloverwogen advies formuleren. Zo
weten we nog niet op welke plaatsen de aanlandingen zullen
gaan plaatsvinden en hoe de uitwerking daarvan zal gaan
plaatsvinden. Dit kan o.a. bij het Beverwijk/IJmuiden (langs
het Noordzeekanaal) zijn of bij Den Helder. Op dit moment is
er nog te veel onduidelijk.
Antwoord 2:
Zie antwoord 1.
Antwoord 3:
In de concept-NRD valt te lezen: “Deze eerste analyse geeft
het inzicht dat het vanuit systeemintegratie zinvol is om
maximaal vier elektrische verbindingen van 2 GW na 2031 aan
te landen in Noord-Holland (regio Noord-Holland Noord en/of
regio Noord-Holland Zuid). Hoeveel elektrische verbindingen
daadwerkelijk ingepast kunnen worden in het energiesysteem,
Pagina 4
22 april 2024 10:13
Pagina 4
hangt van vele factoren af zoals elektriciteitsvraag nabij de
aansluitlocatie. In de IEA/plan-MER wordt een vervolgstudie
gedaan waarin de huidige inzichten, aan de hand van
doorrekeningen van TenneT en Gasunie, verdiept worden.”
Het is dus nog onduidelijk hoe en waar het aantal
aanlandingslocaties wordt verdeeld over NHZ en NHN.
Antwoord 4:
De plaatsing van aanlandingsstations heeft invloed op de
inzet voor de uitbreiding van het stroomnet. Daarom wordt
‘systeemintegratie’ als apart beoordelingskader gebruikt in de
integrale effecten analyse. Het thema systeemintegratie geeft
specifiek op programmaniveau inzicht in de gevolgen van de
aanlanding van wind op zee voor het hele toekomstige
energiesysteem in Nederland. Dit impliceert zeer
waarschijnlijk dus een uitbreiding van het stroomnet hetgeen
ook binnen dit kader wordt onderzocht.
Antwoord 5:
Zie antwoord 1.
Antwoord 6:
Het VAWOZ betreft een toekomstig programma. Derhalve
heeft het op dit moment geen effect op de huidige problemen
met de netcongestie. Wat de toekomstige gevolgen zijn voor
het net, wordt daarin onderzocht. Zie verder antwoord 4.
Antwoord 7:
Zie antwoord 1. Wij verwijzen u hierbij met name naar onze
regionale reactie vanuit regio Zaanstreek-Waterland.
Antwoord 8:
Wanneer het concept-programma (inclusief planMER en IEA)
bekend worden gemaakt, zullen wij deze kritisch doornemen.
Mocht daaruit blijken dat een regionale reactie nodig is, zullen
we in MRA-noord verband de samenwerking opzoeken. Wij
willen u er voorts op wijzen dat de provincie de lead heeft bij
het opstellen van een regionale reactie samen met alle
instanties als gemeenten, waterschappen e.d. Op dit moment
kunnen wij op voorhand daarover dus nog niets zeggen.
Antwoord 9:
Tijdens het opstellen van het VAWOZ-programma is er al
sprake van uitgebreide participatie (zie voornemen en voorstel
Pagina 4
hangt van vele factoren af zoals elektriciteitsvraag nabij de
aansluitlocatie. In de IEA/plan-MER wordt een vervolgstudie
gedaan waarin de huidige inzichten, aan de hand van
doorrekeningen van TenneT en Gasunie, verdiept worden.”
Het is dus nog onduidelijk hoe en waar het aantal
aanlandingslocaties wordt verdeeld over NHZ en NHN.
Antwoord 4:
De plaatsing van aanlandingsstations heeft invloed op de
inzet voor de uitbreiding van het stroomnet. Daarom wordt
‘systeemintegratie’ als apart beoordelingskader gebruikt in de
integrale effecten analyse. Het thema systeemintegratie geeft
specifiek op programmaniveau inzicht in de gevolgen van de
aanlanding van wind op zee voor het hele toekomstige
energiesysteem in Nederland. Dit impliceert zeer
waarschijnlijk dus een uitbreiding van het stroomnet hetgeen
ook binnen dit kader wordt onderzocht.
Antwoord 5:
Zie antwoord 1.
Antwoord 6:
Het VAWOZ betreft een toekomstig programma. Derhalve
heeft het op dit moment geen effect op de huidige problemen
met de netcongestie. Wat de toekomstige gevolgen zijn voor
het net, wordt daarin onderzocht. Zie verder antwoord 4.
Antwoord 7:
Zie antwoord 1. Wij verwijzen u hierbij met name naar onze
regionale reactie vanuit regio Zaanstreek-Waterland.
Antwoord 8:
Wanneer het concept-programma (inclusief planMER en IEA)
bekend worden gemaakt, zullen wij deze kritisch doornemen.
Mocht daaruit blijken dat een regionale reactie nodig is, zullen
we in MRA-noord verband de samenwerking opzoeken. Wij
willen u er voorts op wijzen dat de provincie de lead heeft bij
het opstellen van een regionale reactie samen met alle
instanties als gemeenten, waterschappen e.d. Op dit moment
kunnen wij op voorhand daarover dus nog niets zeggen.
Antwoord 9:
Tijdens het opstellen van het VAWOZ-programma is er al
sprake van uitgebreide participatie (zie voornemen en voorstel
Pagina 5
22 april 2024 10:13
Pagina 5
participatie). Het programma is een bevoegdheid van de
Ministerraad om vast te stellen. Dit is dus niet aan de
gemeente. De gemeente moet slechts worden gezien als
belanghebbende c.q. deelnemende participant in het proces.
Het heeft niet de voorkeur om als gemeente alle deelbelangen
te bundelen, aangezien daarbij onvermijdelijk zaken verloren
zullen gaan en sprake kan zijn van tegenstrijdige belangen.
Belanghebbenden kunnen direct hun zienswijze inbrengen bij
de ter inzage legging van het ontwerp-Programma.
Antwoord 10:
Er worden wettelijke termijnen voor de ter inzage legging
gehanteerd, waarmee wordt geborgd dat belanghebbenden de
tijd hebben om een zienswijze in te dienen. Zie voorts de
beantwoording bij vraag 9.
Antwoord 11:
Op dit moment hebben wij geen enkele informatie over
hoeveel budget er is voor goede landschappelijke inpassing
en op basis waarvan dat budget verdeeld/toegekend wordt.
Zoals aangegeven wordt alles nog onderzocht en is nog veel
onduidelijk. Pas op het moment dat er projectprocedure wordt
gestart door het Rijk, wordt wellicht meer duidelijk ten
aanzien van hoe en waar. Pas dan komt landschappelijke
inpassing e.d. aan de orde.
Antwoord 12:
Beide zaken zijn van de provincie Noord-Holland en niet van
de gemeente. De provincie is de opsteller en initiatiefnemer
van genoemde documenten, waarbij we nog opmerken dat er
nog geen vastgesteld Ruimtelijk Voorstel van de provincie ligt.
De provincie is hier momenteel mee bezig. Bovendien betreft
dit een agenderend document. Het Ontwikkelingsperspectief
NHN is niet voor ons gebied van toepassing. Omdat dit op het
bestuurlijk vlak ligt van de provincie en niet de gemeente,
kunnen wij hierop geen antwoord geven.
Pagina 5
participatie). Het programma is een bevoegdheid van de
Ministerraad om vast te stellen. Dit is dus niet aan de
gemeente. De gemeente moet slechts worden gezien als
belanghebbende c.q. deelnemende participant in het proces.
Het heeft niet de voorkeur om als gemeente alle deelbelangen
te bundelen, aangezien daarbij onvermijdelijk zaken verloren
zullen gaan en sprake kan zijn van tegenstrijdige belangen.
Belanghebbenden kunnen direct hun zienswijze inbrengen bij
de ter inzage legging van het ontwerp-Programma.
Antwoord 10:
Er worden wettelijke termijnen voor de ter inzage legging
gehanteerd, waarmee wordt geborgd dat belanghebbenden de
tijd hebben om een zienswijze in te dienen. Zie voorts de
beantwoording bij vraag 9.
Antwoord 11:
Op dit moment hebben wij geen enkele informatie over
hoeveel budget er is voor goede landschappelijke inpassing
en op basis waarvan dat budget verdeeld/toegekend wordt.
Zoals aangegeven wordt alles nog onderzocht en is nog veel
onduidelijk. Pas op het moment dat er projectprocedure wordt
gestart door het Rijk, wordt wellicht meer duidelijk ten
aanzien van hoe en waar. Pas dan komt landschappelijke
inpassing e.d. aan de orde.
Antwoord 12:
Beide zaken zijn van de provincie Noord-Holland en niet van
de gemeente. De provincie is de opsteller en initiatiefnemer
van genoemde documenten, waarbij we nog opmerken dat er
nog geen vastgesteld Ruimtelijk Voorstel van de provincie ligt.
De provincie is hier momenteel mee bezig. Bovendien betreft
dit een agenderend document. Het Ontwikkelingsperspectief
NHN is niet voor ons gebied van toepassing. Omdat dit op het
bestuurlijk vlak ligt van de provincie en niet de gemeente,
kunnen wij hierop geen antwoord geven.
Openbaar document
Bijlage-Gezamenljke zienswijze regio ZaWa mbt cNRD pVAWOZ
Pagina 1
me~ropool
regio ams~tzi-darn
MRA deelregia Zaanstreek-Waterland
Bureau Energieprojecten
Inspraakpunt Programma VAWOZ
Postbus 111
92Q0 AC DRACHTEN
Datum: 28 maart 2024
ande~verp: Ziens~vijze ciVRD pvAWOZ
Geachte heer/mevrouw,
U heeft op 23 februari jl.de concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau (c{VRD) in het kader van
Programma VAWOZ 2031-2040 ter inzage gelegd voor het indienen van een reactie. De zeven
gemeenten in de regio Zaanstreek-Wateriand maken via deze brief graag gebruik van de mogelijkheid
om hun gemeenschappelijke zienswijze aan u kenbaar to maken.
Vaorafgaande aan de inhoud van onze opmerkingen willen wij u complimenteren met de tat op heden
geleverde inspanningen voor de verduurzaming, randvoorwaardelijke versterking van het energienet en
de wijze waarop u ons sinds kort betrekt.
Wij onderschrijven de noodzaak voor een robuust en toekomstbestendig elektriciteitsnetwerk en wij
realiseren ons dat dit uitbreidingen in de infrastructuu~ met zich meebrengt. Beschikbaarheid van
duurzame energie in de vorm van elektriciteit is immers noodzakelijk voor huidige en toekomstige
ontwikkelingen in onze regio.
We maken ons echter ook zorgen over de effecten die de inpassing van doze nieuwe infrastructuur
heeft op de ruimteiijl<e kwaliteit van onze regio, de leefomgeving van onze inwoners en de
ontwikkefingsmogelijkheden zoals gemeenten die voor ogen hebben. Daaram brengen wij met
betrekking hiertoe onderstaande vijf punten bij u onder de aandacht.
1. Samenhang met 380KV (Vetuitbreiding Noord-Hol{and Noord
Vanuit onze regio zien wij een onlosmakelijk samenhang met het project Netuitbreiding Noord-Holland
Noord (NNHN} in het kader waarvan EZK momenteel onder meer de tracering voor de nieuwe 3S0 kV-
leiding alsook de {ocatie voor het bijbehorende zuidelijke hoagspanningsstation anderzoekt.
VAWOZ en NNHN zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden, maar lijken met weinig samenhang to
worden opgepakt. De ruimtetijke inpassing van de noodzakelijke uitbreidingen in infrastructuur voor
beide trajecten moeten in dezelfde beschikbare ruimte gevonden worden. Wij vragen u daaram om de
samenhang tussen het project NNHN en VAWOZ-programma verder to verdrepen waarbij u de
onderlinge beFnvloeding duidelijker illustreert en beschrijft. Hierbij doelen we onder meer op
regio ams~tzi-darn
MRA deelregia Zaanstreek-Waterland
Bureau Energieprojecten
Inspraakpunt Programma VAWOZ
Postbus 111
92Q0 AC DRACHTEN
Datum: 28 maart 2024
ande~verp: Ziens~vijze ciVRD pvAWOZ
Geachte heer/mevrouw,
U heeft op 23 februari jl.de concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau (c{VRD) in het kader van
Programma VAWOZ 2031-2040 ter inzage gelegd voor het indienen van een reactie. De zeven
gemeenten in de regio Zaanstreek-Wateriand maken via deze brief graag gebruik van de mogelijkheid
om hun gemeenschappelijke zienswijze aan u kenbaar to maken.
Vaorafgaande aan de inhoud van onze opmerkingen willen wij u complimenteren met de tat op heden
geleverde inspanningen voor de verduurzaming, randvoorwaardelijke versterking van het energienet en
de wijze waarop u ons sinds kort betrekt.
Wij onderschrijven de noodzaak voor een robuust en toekomstbestendig elektriciteitsnetwerk en wij
realiseren ons dat dit uitbreidingen in de infrastructuu~ met zich meebrengt. Beschikbaarheid van
duurzame energie in de vorm van elektriciteit is immers noodzakelijk voor huidige en toekomstige
ontwikkelingen in onze regio.
We maken ons echter ook zorgen over de effecten die de inpassing van doze nieuwe infrastructuur
heeft op de ruimteiijl<e kwaliteit van onze regio, de leefomgeving van onze inwoners en de
ontwikkefingsmogelijkheden zoals gemeenten die voor ogen hebben. Daaram brengen wij met
betrekking hiertoe onderstaande vijf punten bij u onder de aandacht.
1. Samenhang met 380KV (Vetuitbreiding Noord-Hol{and Noord
Vanuit onze regio zien wij een onlosmakelijk samenhang met het project Netuitbreiding Noord-Holland
Noord (NNHN} in het kader waarvan EZK momenteel onder meer de tracering voor de nieuwe 3S0 kV-
leiding alsook de {ocatie voor het bijbehorende zuidelijke hoagspanningsstation anderzoekt.
VAWOZ en NNHN zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden, maar lijken met weinig samenhang to
worden opgepakt. De ruimtetijke inpassing van de noodzakelijke uitbreidingen in infrastructuur voor
beide trajecten moeten in dezelfde beschikbare ruimte gevonden worden. Wij vragen u daaram om de
samenhang tussen het project NNHN en VAWOZ-programma verder to verdrepen waarbij u de
onderlinge beFnvloeding duidelijker illustreert en beschrijft. Hierbij doelen we onder meer op
Pagina 2
onderstaande punten.
Naast een optie voor aanlanding op een hoogspannrngsstationten westenvan Zaanstad is de totale
opgave (en daarmee de rurmtelijke impact} feitelijk grocer. fn de cNRD ligt ook een zoekcirke( (p. 35)
voor een elektrolyser (omzetten overbodige energie in waterstof). Deze elektrofysers kunnen het
beste nabij aanlandingslocaties geplaatst worden (p. 9j. De totale oppervlakte van een 1 GW
elektrolyser kan oplopen tot 20 hectare (p. 22), afhankelijk van de beschikbaarheid van e►ektriciteit
en zoetwater. Als nu al bekend is dat ook een elektrolyser bij het hoogspanningsstation nodig is, dan
is het wenselijk dat de opgetelde ruimtelijke impact integraal beoordeeld wordt
(hoogspanningsstation, elektrolyser en converterstation). indicatief gaat da₹ al snel richting een
ruimtelijke claim rond de 50 hectare. Deze optelsom heeft een wezenlijk andere impact op de
omgeving en heeft mogelijk gevoigen voor het realiteitsgehalte van de zoeklocaties.
Binnen Programma VAWOZ wordt het uitgangspunt gehanteerd dat een converter-
/transformatorstation op land op maximaal 6 km afstand ligt van een hoogspanningsstation waarop
wordt aangesloten (p. 20). Onduidelijk is hoe de integrate beoordeling van de locatie voor een
converterstation nu wordt meegenomen. VAWOZ IijEct de traces to beaordelen, maar de ruimtelijke
impact van de bijbehorende converterstations (en evt elektrolysers) maakt een trace ook meer of
minder geschikt.
Voor de gemeente in onze regio is het complex om de samenhang tussen VAWOZ en NNHN echt to
doorgronden juist vanwege het felt dat beide (beslu'rtvormings)processen in twee afzonderlijke
rijkscoordinatieregelingen zijn ondergebracht. Keuzes in het ene traject hebben zoals gezegd
consequenties voor wat er moet of kan in het andere traject. Om inhoudelijk en procesmatig beter
inzicht to krijgen, willen we de suggestie doen om voor zover mogelijk deze twee
onderzoekstrajecten samen op to pakken en niet 'rn twee afzonderlijke planMERs. Dat is wellicht
procedureei niet meer to realiseren. In dat gevaf doefi de regio de suggestie om een andere structuur
op to tuigen om de onderfinge afhankelijkheden inzichtelijk to maken.
2. Bovengronds of ondergronds
Wij stellen tot ons genoegen vast dat de kabeltraces voor de aanlanding binnen VAWOZ (antlers dan bij
het project NNHN) we! o~dergronds kunnen worden aangelegd. Hierbij maakt u geen onderscheid
tussen de I<abels voor gelijk- of wisselstroom. De keuze voor de ondergrondse aanleg intrigeert omdat
parallel aan het 380 kV-trace in het kader van NNHN is gesteld dat dit enkel bovengronds kan vanwege
technische beperkingen en omdat ondergrondse storingen moeilijk zijn to verhelpen.
Onze vraag voor het VAWOZ-programma heeft betrekkrng op de bedrijfszekerheid. Wat maakt dat de
ondergrondse opties in VAWOZ tot ver in Noard-Holland wet een optie zijn en voor 380 kV bij het
project NNHN niet?
Nu ondergrondse aanlanding denkbaar is vsa Castrrcum Haar Zaandam, maar Kok van Zeeland Haar
Limburg, zien wij dit ook voor ogen vanaf bijvoorbeeld Den Helder Haar Zaandam, of van de Umond
Haar Middenmeer. Kortom een lange aanlanding met een ondergrondse gelijkspanningskabel Haar een
converterstation dicht bij het hoogspanningsstation. Hoe verhoudt dit zich tot de noodzaak van een 2e
380 kV-trace door Zaanstreek-Waterland bovengronds, als een aanlanding in de kop van Noord-Holland
wordt gerealiseerd en deze stroom moet worden aangesloten op het zuidelijk deel van het
hoogspanningsnet? Maakt een lange ondergrondse aanfanding een 2e bovengrondse 380-trace niet
Naast een optie voor aanlanding op een hoogspannrngsstationten westenvan Zaanstad is de totale
opgave (en daarmee de rurmtelijke impact} feitelijk grocer. fn de cNRD ligt ook een zoekcirke( (p. 35)
voor een elektrolyser (omzetten overbodige energie in waterstof). Deze elektrofysers kunnen het
beste nabij aanlandingslocaties geplaatst worden (p. 9j. De totale oppervlakte van een 1 GW
elektrolyser kan oplopen tot 20 hectare (p. 22), afhankelijk van de beschikbaarheid van e►ektriciteit
en zoetwater. Als nu al bekend is dat ook een elektrolyser bij het hoogspanningsstation nodig is, dan
is het wenselijk dat de opgetelde ruimtelijke impact integraal beoordeeld wordt
(hoogspanningsstation, elektrolyser en converterstation). indicatief gaat da₹ al snel richting een
ruimtelijke claim rond de 50 hectare. Deze optelsom heeft een wezenlijk andere impact op de
omgeving en heeft mogelijk gevoigen voor het realiteitsgehalte van de zoeklocaties.
Binnen Programma VAWOZ wordt het uitgangspunt gehanteerd dat een converter-
/transformatorstation op land op maximaal 6 km afstand ligt van een hoogspanningsstation waarop
wordt aangesloten (p. 20). Onduidelijk is hoe de integrate beoordeling van de locatie voor een
converterstation nu wordt meegenomen. VAWOZ IijEct de traces to beaordelen, maar de ruimtelijke
impact van de bijbehorende converterstations (en evt elektrolysers) maakt een trace ook meer of
minder geschikt.
Voor de gemeente in onze regio is het complex om de samenhang tussen VAWOZ en NNHN echt to
doorgronden juist vanwege het felt dat beide (beslu'rtvormings)processen in twee afzonderlijke
rijkscoordinatieregelingen zijn ondergebracht. Keuzes in het ene traject hebben zoals gezegd
consequenties voor wat er moet of kan in het andere traject. Om inhoudelijk en procesmatig beter
inzicht to krijgen, willen we de suggestie doen om voor zover mogelijk deze twee
onderzoekstrajecten samen op to pakken en niet 'rn twee afzonderlijke planMERs. Dat is wellicht
procedureei niet meer to realiseren. In dat gevaf doefi de regio de suggestie om een andere structuur
op to tuigen om de onderfinge afhankelijkheden inzichtelijk to maken.
2. Bovengronds of ondergronds
Wij stellen tot ons genoegen vast dat de kabeltraces voor de aanlanding binnen VAWOZ (antlers dan bij
het project NNHN) we! o~dergronds kunnen worden aangelegd. Hierbij maakt u geen onderscheid
tussen de I<abels voor gelijk- of wisselstroom. De keuze voor de ondergrondse aanleg intrigeert omdat
parallel aan het 380 kV-trace in het kader van NNHN is gesteld dat dit enkel bovengronds kan vanwege
technische beperkingen en omdat ondergrondse storingen moeilijk zijn to verhelpen.
Onze vraag voor het VAWOZ-programma heeft betrekkrng op de bedrijfszekerheid. Wat maakt dat de
ondergrondse opties in VAWOZ tot ver in Noard-Holland wet een optie zijn en voor 380 kV bij het
project NNHN niet?
Nu ondergrondse aanlanding denkbaar is vsa Castrrcum Haar Zaandam, maar Kok van Zeeland Haar
Limburg, zien wij dit ook voor ogen vanaf bijvoorbeeld Den Helder Haar Zaandam, of van de Umond
Haar Middenmeer. Kortom een lange aanlanding met een ondergrondse gelijkspanningskabel Haar een
converterstation dicht bij het hoogspanningsstation. Hoe verhoudt dit zich tot de noodzaak van een 2e
380 kV-trace door Zaanstreek-Waterland bovengronds, als een aanlanding in de kop van Noord-Holland
wordt gerealiseerd en deze stroom moet worden aangesloten op het zuidelijk deel van het
hoogspanningsnet? Maakt een lange ondergrondse aanfanding een 2e bovengrondse 380-trace niet
Pagina 3
gewoon overbodig? Wij brengen dit exp(iciet Haar voren omdat de ruimtefijke gevolgen voor een
dubbele mastenrij voor 4 circuits veel groter zijn dan een enkele rij masten.
3. Water en bodem sturend
U stelt: "de aanleg van energie-infrastructuur is minder wenselijk in bijvoorbee{d diepe polders en
veenweidegebieden" (p. 36). Hiermee zijn wij het van harte eens. We vragen u om dit aspect in
samenhang to zien met enerzijds de opgave om veenweiden to 'vernatten' ten behoeve van het
remmen van bodemdaling en het terugdringen pan CO2-uitstoot als gevolg van veenoxidatie en met
anderzi}ds de opgave om bij piekbuien water to bergen in deze gebieden.
4. Waterbehoefte voor eventuele elektrolysers
Voor de zoetwatervraag van eventueie elektrolysers moet een groot oppervlaktewater sn de nabijheid
beschikbaar zijn. Maar de 6eschrkbaarheid van zoetwater is nu al een knefpunt voor het op hoogte
houden van het waterpeii in het veenweidegebied in de gehele regio Zaanstreek-Waterland. We
voorzien als gevolg van klsmaatveranderingen de waterverdelingsvraag steeds nijpender worden. Het
toevoegen van een extra ~vatervragende functie in dit gebied vormt daarbij een complicerende factor.
Tot slot
De ruimtelijke inpassing van de nieuwe energie-infrastructuur za{ een negatieve impact hebben op de
landschappelijke kwaliteit van onze regio en wellicht ook gemeentelijke ambities met betrekking tot de
realisatie van onder meer toekamstige woon- en bedrijfslocaties belemmeren of onmogelijk maken. De
regio gaat daarover graag met u in gesprek_
De gemeentebesturen vas de regio Zaanstreek-Waterland wensen u veel succes met de spoedige- en
zorgvuldige totstandkoming van benodigde besluiten om de energie uit wind op zee to verbinden met
het hoogspanningsnet om daarmee onze maatschappelijke energiebehoefte verder to verduurzamen.
Wrj hopen met de door ons aangedragen aandachtspunten bij to dragen en zo de blijvende
samenspraak met de omgeving tot een succes to maken.
Met vriE
Rene Tu voorzitter regionaal portefeu urzaamheid
Pascal Verkroost, ~orzitter regronaal portefeuillehoudersoverleg Ruimte
:~_._._.. f ~
I
Astrid van de Weijenberg~ voprzitter regionaal portefeuillehoudersoverleg Landschap
dubbele mastenrij voor 4 circuits veel groter zijn dan een enkele rij masten.
3. Water en bodem sturend
U stelt: "de aanleg van energie-infrastructuur is minder wenselijk in bijvoorbee{d diepe polders en
veenweidegebieden" (p. 36). Hiermee zijn wij het van harte eens. We vragen u om dit aspect in
samenhang to zien met enerzijds de opgave om veenweiden to 'vernatten' ten behoeve van het
remmen van bodemdaling en het terugdringen pan CO2-uitstoot als gevolg van veenoxidatie en met
anderzi}ds de opgave om bij piekbuien water to bergen in deze gebieden.
4. Waterbehoefte voor eventuele elektrolysers
Voor de zoetwatervraag van eventueie elektrolysers moet een groot oppervlaktewater sn de nabijheid
beschikbaar zijn. Maar de 6eschrkbaarheid van zoetwater is nu al een knefpunt voor het op hoogte
houden van het waterpeii in het veenweidegebied in de gehele regio Zaanstreek-Waterland. We
voorzien als gevolg van klsmaatveranderingen de waterverdelingsvraag steeds nijpender worden. Het
toevoegen van een extra ~vatervragende functie in dit gebied vormt daarbij een complicerende factor.
Tot slot
De ruimtelijke inpassing van de nieuwe energie-infrastructuur za{ een negatieve impact hebben op de
landschappelijke kwaliteit van onze regio en wellicht ook gemeentelijke ambities met betrekking tot de
realisatie van onder meer toekamstige woon- en bedrijfslocaties belemmeren of onmogelijk maken. De
regio gaat daarover graag met u in gesprek_
De gemeentebesturen vas de regio Zaanstreek-Waterland wensen u veel succes met de spoedige- en
zorgvuldige totstandkoming van benodigde besluiten om de energie uit wind op zee to verbinden met
het hoogspanningsnet om daarmee onze maatschappelijke energiebehoefte verder to verduurzamen.
Wrj hopen met de door ons aangedragen aandachtspunten bij to dragen en zo de blijvende
samenspraak met de omgeving tot een succes to maken.
Met vriE
Rene Tu voorzitter regionaal portefeu urzaamheid
Pascal Verkroost, ~orzitter regronaal portefeuillehoudersoverleg Ruimte
:~_._._.. f ~
I
Astrid van de Weijenberg~ voprzitter regionaal portefeuillehoudersoverleg Landschap