← Terug naar alle raadsvragen

Nadere duiding wettelijke verplichting Clean Vehicles Directive

Lees de openbare vraag, het antwoord en de bijlagen als webtekst.

Deze raadsvraag over Nadere duiding wettelijke verplichting Clean Vehicles Directive is gesteld door LEV op 23-01-2026. Het openbare antwoord is gedateerd 02-02-2026. Het dossier bevat 2 documenten.

Leesversie. De tekst hieronder is automatisch uit de openbare PDF-bestanden gehaald. De originele PDF onder ieder document blijft de officiële bron. Bijlagen zijn niet automatisch als vraag of antwoord ingedeeld.

Direct openen

Documenten en bijlagen

Open hier de officiële vraag en beantwoording of één van de bijbehorende stukken als PDF.

  1. LEV Nadere duiding wettelijke verplichting Clean Vehicles Directive
  2. LEV Gestelde wettelijke verplichting tot overstap naar elektrische gemeentelijke voertuigen, idnummer 925

Openbaar document

LEV Nadere duiding wettelijke verplichting Clean Vehicles Directive

Pagina 1

2 februari 2026 16:40
Detailrapport Vraag en antwoord los v/h Raadsplein (ID 945)
Veld Waarde
Datum vraag 23-01-2026
Onderwerp Nadere duiding wettelijke verplichting Clean Vehicles Directive
Fractie(s) LEV
Vraag en antwoord In het antwoord van het college d.d. 8 januari 2026 (ID 925) wordt
gesteld dat de verplichting tot overstap naar schone voertuigen
voortvloeit uit de EU-richtlijn 2019/1161 (Clean Vehicles Directive)
en de Nederlandse Regeling bevordering schone wegvoertuigen.

Uit deze beantwoording blijkt echter dat sprake is van
minimumpercentages “schone voertuigen” bij aanbestedingen, en
niet van een generieke verplichting tot volledige elektrificatie van
het gemeentelijk wagenpark.

Om het onderscheid tussen wettelijke verplichting en beleidskeuze
scherp te houden, stelt Lokaal Edam-Volendam de volgende
vervolgvragen.

1. Kan het college bevestigen dat de Clean Vehicles Directive en de
Regeling bevordering schone wegvoertuigen geen verplichting
bevatten om uitsluitend of volledig over te stappen op elektrische
voertuigen, maar uitsluitend minimumpercentages “schone
voertuigen” voorschrijven bij aanbestedingen?
Antwoord:
Volgens de richtlijn en de regeling moet er voldaan worden aan de
percentages die zijn gesteld en de definitie van “schoon voertuig”.
Zoals al eerder geantwoord zijn er uitzonderingen.
Waterstofvoertuigen zijn eveneens een optie.

2. Kan het college bevestigen dat voor lichte voertuigen
(categorieën M1, M2 en N1) het geldende wettelijke
minimumpercentage 38,5% “schone voertuigen” bedraagt, en dat
“schoon” daarbij niet uitsluitend elektrisch betekent?
Antwoord:
Zoals gezegd: de richtlijn geeft een definitie wat onder “schoon”
kan worden verstaan. Voor het overige kunnen wij verwijzen naar
onze eerdere beantwoording.

3. Hoe beoordeelt het college, in het licht van de nu gegeven
beantwoording, de eerdere uitspraak van de wethouder Financiën
dat de gemeente “vanuit Den Haag moet overstappen op kleine
elektrische voertuigen”? Kan het college bevestigen dat deze
uitspraak een beleidsmatige interpretatie betreft en geen directe
juridische verplichting?
Antwoord:

Pagina 2

2 februari 2026 16:40
Pagina 2

Dit is een herhaling van vraag 8 van uw eerder gestelde vragen over
dit onderwerp. Wij verwijzen u kortheidshalve naar ons antwoord
bij die vraag.

4. Kan het college bevestigen dat de gemeenteraad, zolang aan de
wettelijke minimumpercentages wordt voldaan, beleidsvrijheid
heeft in tempo en fasering van verduurzaming, kan kiezen voor
alternatieve schone voertuigen, en niet verplicht is tot
bovenwettelijke elektrificatie?
Antwoord:
De gemeenteraad doet er goed aan zich te richten op de
hoofdlijnen van bestuur, de doelstellingen van beleid en de
financiële kaders. Het wettelijk kader is het uitgangspunt en het
anticiperen op toekomstige regelgeving getuigt van zorgvuldig
bestuur. De raad heeft overigens op 14-12-2023 in een motie
gepleit voor een laadvisie, met de kennelijke intentie elektrisch
rijden te stimuleren en te faciliteren.

5. Kan het college expliciet aangeven welk onderdeel van het
amendement BVNL volgens het college in strijd zou zijn met de
Clean Vehicles Directive of de Regeling bevordering schone
wegvoertuigen, en op welk concreet wetsartikel dit oordeel is
gebaseerd?
Antwoord:
De formulering van het amendement op onderdelen a en b is
zodanig dat het voldoen aan de richtlijn en regeling niet is
gewaarborgd. Voor de artikelen verwijzen wij u naar de eerdere
beantwoording.

6. Is het college bereid om in toekomstige voorstellen en debatten
expliciet onderscheid te maken tussen, juridisch afdwingbare
verplichtingen, en bovenwettelijke beleidsambities van het college
zelf?
Antwoord:
Zoals aangegeven is het de raad die het beleid en de financiële
kaders vaststelt. Het is aan het college de beleidsambities van de
raad uit te voeren.

Bronvermelding: De verplichting waarop het college zich beroept
volgt uit Richtlijn (EU) 2019/1161 inzake de bevordering van schone
en energiezuinige wegvoertuigen (Clean Vehicles Directive), zoals
geïmplementeerd in de Regeling bevordering schone
wegvoertuigen. Deze regelgeving schrijft minimumpercentages
“schone voertuigen” per aanbesteding voor. Voor lichte voertuigen
(M1, M2, N1) bedraagt dit 38,5%, waarbij “schoon” niet uitsluitend
elektrisch betekent. Hogere percentages of volledige elektrificatie
betreffen beleidskeuzes en geen wettelijke verplichting.
Bijlage(s) LEV Gestelde wettelijke verplichting tot overstap naar elektrische
gemeentelijke voertuigen idnummer 925

PDF bekijken of downloaden

Controleer opmaak, afbeeldingen, handtekeningen en pagina’s zonder tekstlaag altijd in het originele document.

Openbaar document

LEV Gestelde wettelijke verplichting tot overstap naar elektrische gemeentelijke voertuigen, idnummer 925

Pagina 1

8 januari 2026 15:54
Detailrapport Vraag en antwoord los v/h Raadsplein (ID 925)
Veld Waarde
Datum vraag 19-12-2025
Onderwerp Gestelde wettelijke verplichting tot overstap naar elektrische
gemeentelijke voertuigen
Fractie(s) LEV
Vraag en antwoord Tijdens de raadsbehandeling van de Winternota 2025 heeft de
wethouder Financiën aangegeven dat de gemeente verplicht zou
zijn om over te stappen op kleine elektrische voertuigen, omdat dit
‘moet vanuit Den Haag’ en op basis van ‘wet- en regelgeving’.

Omdat dit een verstrekkende beleids en financiële keuze betreft,
heeft de raad behoefte aan volledige onderbouwing.

Vraag 1.
Kunt u exact aangeven op welke wet: verordening, Algemene
Maatregel van Bestuur, ministerieel besluit of Europese bepaling
het college baseert dat de gemeente verplicht is om over te stappen
op elektrische voertuigen?
Antwoord 1:
De verplichting is gebaseerd op de EU Richtlijn bevordering van
schone en energiezuinige wegvoertuigen (Clean Vehicles Directive)
2019/1161/EU, in het bijzonder artikel 5 van die richtlijn en de
uitwerking daarvan in de Regeling bevordering schone
wegvoertuigen, (Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur
en Waterstaat, van 8 oktober 2021, nr. IENW/BSK-2021/265234,
houdende regels ter bevordering van schone wegvoertuigen ter
ondersteuning van emissiearme mobiliteit), in het bijzonder artikel
2 en 4 van die regeling.

Vraag 2.
Wilt u daarbij concreet vermelden: naam van het wets- of
regelgevingskader, artikelnummer(s), de verplichtende passage, en
de verantwoordelijke overheid (Ministerie, Tweede Kamer, EU,
etc.)?
Antwoord 2:
Zie antwoord op vraag 1.

Vraag 3.
Betreft deze beweerde verplichting alleen personenauto’s,
bedrijfswagens, alleen nieuwe voertuigen, het gehele gemeentelijke
wagenpark of slechts voertuigen in bepaalde situaties (zoals
milieuzones)?
Antwoord 3:
De regelingen hebben betrekking op het gehele gemeentelijke
wagenpark bij vervanging. Uitzonderingen zijn in de regeling
benoemd.

Pagina 2

8 januari 2026 15:54
Pagina 2

Vraag 4.
Gaat het om een harde wettelijke verplichting of een
beleidsdoelstelling / ambitie / bestuurlijke afspraak zonder
juridische afdwingbaarheid Graag een heldere kwalificatie.
Antwoord 4:
De in de regelingen genoemde percentages zijn een harde
verplichting en een minimumpercentage. Indien daaraan niet wordt
voldaan kan een inkoop/aanbesteding als onrechtmatig worden
aangemerkt. Streefgetallen boven de vastgelegde percentages in de
EU richtlijn zijn beleidsafspraken.

Vraag 5.
Wat is de juridisch vastgelegde deadline waarop de gemeente aan
deze vermeende verplichting moet voldoen?
Antwoord 5:
De Ministeriële regeling geldt voor de periode 1-1-2026-heden.

Vraag 6.
Welke sancties, dwangsommen of rijksmaatregelen staan er
juridisch vastgelegd wanneer de gemeente hier niet aan voldoet?
Antwoord 6:
De regelingen bevatten geen specifieke sanctiebepalingen. Zoals
aangegeven kan afwijken van de regelingen ertoe leiden dat een
inkoop of aanbesteding als onrechtmatig wordt aangemerkt. Dat
kan gevolgen hebben voor de financiële verantwoording door de
gemeente, maar ook in specifieke situaties leiden tot juridische
procedures en schadevergoedingen.

Vraag 7.
Welke uitzonderingen bestaan er (bijvoorbeeld voor doelmatigheid,
financiële disproportionaliteit, technische beperkingen of publieke
taken)?
Antwoord 7:
De EU richtlijn geeft uitzonderingsbepalingen aan voor bepaalde
typen voertuigen (o.a. defensie). De Ministeriële regeling geeft
aanvullend aan voor welke andere soorten voertuigen de richtlijn
niet geldt (tot 31-12-2030).
•voertuigen voor exclusief gebruik door de strijdkrachten
•voertuigen voor hoofdzakelijk gebruik op bouwplaatsen, in
steengroeven, havens of op luchthavens
•voertuigen voor burgerbescherming, brandweer en
ordehandhavingsdiensten
•gepantserde voertuigen
•ambulances
•lijkwagens
•voor rolstoelen toegankelijke voertuigen
•mobiele kranen
De regelingen bevatten geen bepalingen ten aanzien van
doelmatigheid of financiële disproportionaliteit.

Pagina 3

8 januari 2026 15:54
Pagina 3

Vraag 8.
Indien er geen sprake blijkt van een harde wettelijke plicht, erkent
het college dan, dat dit gaat om een beleidskeuze van het college,
en niet om een juridisch opgelegde verplichting?
Antwoord 8:
Zie bovenstaande antwoorden.
Er zijn aanvullende overwegingen waarom deze keuze in de rede
ligt. In de eerste plaats heeft het Ministerie van Infrastructuur en
Waterstaat in 2024 een marktconsultatie gehouden waarin een
wijziging van de Europese percentages werd aangekondigd:
“De voorgestelde ophoging gaat over de periode van 2026 tot en
met 2030. Bij de percentages emissievrije/schone voertuigen per
aanbesteding wordt onderscheid gemaakt tussen typen voertuigen.
We stellen de volgende nieuwe percentages emissievrije/schone
voertuigen per aanbesteding voor:
•Personenauto’s, personenbusjes en bestelbusjes: van 38,5% naar
100% emissievrij;
•Ov-bussen: van 65% schone bussen, waarvan de helft emissievrij
naar 100% emissievrij;
•Vrachtauto’s (zware voertuigen): van 15% naar 50% schone
voertuigen, waarvan een kwart emissievrij (12,5% van het totaal).

In de volgende gevallen blijven voor aanbestedingen de standaard
doelstellingen uit de EU-richtlijn gelden:
•Bij een tekort aan aanbod van geschikte voertuigen op de markt;
•Bij het ontbreken van voldoende openbare laadpalen, waardoor
de voertuigen niet ingezet kunnen worden;
•Bij onvoldoende capaciteit op het elektriciteitsnet (netcongestie),
waardoor de voertuigen niet ingezet kunnen worden;”.
Deze voorgestelde aanscherping is uiteindelijk niet doorgevoerd in
de huidige geldende regeling, maar geeft wel de richting aan.
Ten tweede heeft de gemeente ook een voorbeeldfunctie naar
buiten toe en dat brengt met zich mee dat de gemeente niet persé
moet vasthouden aan het minimaal wettelijk vereiste. De gemeente
heeft zelf ook duurzaamheidsdoelstellingen vastgesteld.
Ten derde dragen emissievrije voertuigen ook bij aan verbetering
van de kwaliteit van de leefomgeving: lagere geluidsemissie en geen
uitstoot, zoals van fijnstof.

Vraag 9.
Is het college bereid de raad hierover alsnog volledig, schriftelijk en
feitelijk juist te informeren, inclusief correctie op eerder gedane
publieke uitspraken indien die feitelijk onjuist blijken?
Antwoord 9:
De formulering van de vraagstelling suggereert alsof het college dat
niet heeft gedaan. Die suggestie laat het college voor rekening van
de vragenstellers. Uit voorgaande antwoorden blijkt dat de
regelgeving en uitvoering daarvan vaak complex en dynamisch is.
Het college en de organisatie houden zich bezig met het uitvoeren
van het door de raad vastgestelde beleid binnen de wettelijke
kaders die daarvoor gelden. Het past bij de rol van de raad om zich

Pagina 4

8 januari 2026 15:54
Pagina 4

te richten op de hoofdlijnen van bestuur en de doelstellingen die
daarbij horen.

Vraag 10.
Indien dit geen wettelijke verplichting is maar beleid, welke
financiële afwegingen heeft het college dan gemaakt tussen:
aanschaf elektrische voertuigen, aanschaf moderne voertuigen met
lagere uitstoot, of gefaseerde vervanging?
Antwoord 10:
De beschikbare gemeentelijke vervoersmiddelen moeten aansluiten
bij de mobiliteitsvraag die de gemeentelijke organisatie kent vanuit
een oogpunt van functionaliteit. Aanbesteding vindt dan plaats met
inachtneming van de kaders en doelstellingen die door de
gemeenteraad zijn vastgesteld.

De raad kan alleen verantwoord besluiten wanneer juridische
werkelijkheid en beleidsambities niet door elkaar lopen. Wij
verzoeken daarom om heldere, toetsbare beantwoording.
Bijlage(s) Infographic clean vehicle directive 1024 bij 714-juli 2021

PDF bekijken of downloaden

Controleer opmaak, afbeeldingen, handtekeningen en pagina’s zonder tekstlaag altijd in het originele document.